Ehsan Jami - Ik had gelijk. En toch zat ik fout!
Opinie Ehsan Jami (promovendus aan Universiteit Leiden, faculteit bestuurskunde)
Er zijn momenten waarop je terugkijkt en denkt: ik zat er naast. Niet volledig, maar strategisch. Als een schaker die het juiste stuk pakt maar het op het verkeerde veld zet. Ik, Ehsan Jami, voormalig oprichter van het Comité voor Ex-moslims en inmiddels een man met iets meer grijs haar en hopelijk iets meer wijsheid, moet een bekentenis doen. Geen volledige capitulatie, laat dat helder zijn, maar een correctie van het vizier.
Laat ik beginnen met wat ik niet herroep: mijn kritiek op de islam als politiek-religieus systeem staat als een huis. De beperkingen die de islam oplegt aan vrouwen, aan homoseksuelen, aan ex-moslims, aan het vrije denken, zijn reëel, gedocumenteerd en theologisch verankerd. Wie dat ontkent heeft de teksten óf niet gelezen, óf heeft ze gelezen en kijkt bewust de andere kant op. Mijn kritiek was inhoudelijk correct. Maar ik miste de vraag die er werkelijk toe deed: wie heeft dit eigenlijk mogelijk gemaakt?
Stel u de volgende situatie voor: een kind groeit op en begint zich asociaal te gedragen. Het schopt tegen schenen, negeert de huisregels, trekt zich niets aan van de buurt. Iedereen wijst naar het kind. Maar de ouders, die jarenlang geen enkele grens stelden, die elke aanmaning wegwuifden als onverdraagzaamheid, die het gedrag zelfs aanmoedigden als culturele eigenheid, staan erbij met een gezicht van oprechte verbazing. Alsof zij slachtoffer zijn van een toneelstuk dat ze zelf hebben geschreven en geregisseerd.
Wie is hier verantwoordelijk? Die ouders hebben in onze samenleving een naam. Ze heten GroenLinks, de PvdA, D66 en hun ideologische neven en nichten door heel West-Europa. Ze heten de intellectuele elite die elk serieus debat over de grenzen van religieuze accommodatie afdeed als islamofobie, alsof kritiek op een ideeënstelsel hetzelfde was als haat jegens mensen. Ze heten de beleidsmakers die met de beste bedoelingen een multiculturele infrastructuur bouwden zonder daarin één spelregel in te bouwen die er werkelijk toe doet: wederkerigheid. Ik richtte mijn pijlen op de islam. Begrijpelijk, en inhoudelijk niet onjuist. Maar ik was als iemand die boos wordt op het water dat zijn schoenen natmaakt, terwijl hij verzuimt te kijken naar degene die de kraan heeft opengedraaid. Die kraan was links-progressief beleid. En hij stond al decennialang open.
De feiten zijn bekend, al worden ze zelden hardop uitgesproken op een borrel in de Haagse binnenstad. Progressieve partijen sloten een electorale coalitie met conservatieve religieuze gemeenschappen. Niet uit ideologische verwantschap, want die was er nul, maar uit koude rekenkundige logica. Moslimgemeenschappen stemden massaal links, en links zette in ruil daarvoor de kritische vragen in de vriezer, netjes verpakt in cellofaan met het opschrift 'culturele gevoeligheid'. Wanneer vrouwen werden onderdrukt, heette het 'intern te regelen'. Wanneer homoseksuelen in stadswijken werden uitgescholden of erger, was de dader plotseling 'een jongere met achterstanden', en niet de ideologie die hij thuis en in de moskee had meegekregen. Het was een stilzwijgend sociaal contract, en de prijs werd betaald door de meest kwetsbaren: de vrouwen, de homo's, de ex-moslims en de moslims zelf die wél wilden moderniseren.
Maar er zit nog een laag onder het opportunisme, en die is kwalijker. De progressieve bescherming van de islam was namelijk ook betuttelracisme in zijn meest geraffineerde gedaante. De paternalistische overtuiging dat bepaalde groepen mensen niet aan dezelfde morele standaarden kunnen worden gehouden als de verlichte westerling. Racisme met een vriendelijk gezicht, een open hart en een gesloten geest. De blanke progressief die zegt: voor ons is de islam een idee dat we mogen bevragen, maar voor hén is het hun identiteit, hun wezen, hun ziel. Alsof een Marokkaanse Nederlander van de tweede of derde generatie een decoratief museumstuk is dat je achter glas zet, in plaats van een medeburger die je aanspreekt op zijn handelen.
Dit paternalisme heeft concrete schade aangericht, en ik kies dat woord bewust. Het heeft generaties jongeren gevrijwaard van precies de intellectuele confrontatie die emancipatie had kunnen produceren. Het heeft de moderniserende stem binnen moslimgemeenschappen structureel ondermijnd, want wie intern vraagtekens durfde te stellen bij religieuze dogma's vond buiten zijn gemeenschap geen steun maar een beleefde aansporing tot zwijgen. De liberale samenleving die hen had moeten steunen, keek beschaamd weg, als een leermeester die zijn leerling niet durft te corrigeren omdat hij bang is voor het verwijt van bevooroordeeldheid.
Ik weet uit eigen ervaring wat het betekent te worden weggezet als verrader van je gemeenschap wanneer je vragen stelt. Maar ik weet ook wat het had kunnen betekenen als de samenleving om mij heen had gezegd: jouw vragen zijn legitiem, jij bent gelijkwaardig genoeg om van te verlangen dat je ze stelt. Dat zei niemand. In plaats daarvan werd ik behandeld als een anomalie, een ongemakkelijk randfiguur, de man die de sfeer verpestte op het multiculturele feestje. Ik herinner me dat ik in die jaren verscheen in debatten en werd bejegend als de olifant in de porseleinkast. Niet door conservatieve moslims of belangengroepen voor migranten. Die waren althans eerlijk in hun afwijzing. Nee, de meest venijnige reacties kwamen van progressieve opiniemakers en politici die mij verweten de 'integratie te beschadigen'. Alsof integratie een delicaat vaasje was dat brak zodra je het woord 'kritiek' ertegenaan gooide. Wat ze in werkelijkheid beschermden, was niet de integratie. Dat was de electorale vrede.
Er is nog iets wat te weinig wordt benoemd. In de jaren negentig en vroege jaren 2000 werd de notie van gedeelde waarden, van een normatieve kern van de Nederlandse samenleving, systematisch gedeconstrueerd als nationalisme, als uitsluiting, als iets wat je niet mocht verspreiden in beschaafd gezelschap. Het resultaat van die intellectuele capitulatie was een normatief vacuüm, en een vacuüm wordt altijd gevuld. De islam vulde het, omdat de islam, in tegenstelling tot de Nederlandse progressieve beweging, nooit verlegen was om normen. De islam wist precies wat zij wilde en zei het ook hardop. In dat vacuüm groeide een generatie op zonder wederkerige verhoudingen. Jongeren die leerden dat de samenleving hen niets kon vragen, omdat vragen stellen al discriminatie was. Die ideologisch werden bewapend met grievances en tegelijkertijd werden ontwapend van de instrumenten om die grievances productief om te zetten: taal, arbeid, democratische participatie, kritisch denken. Dit is geen ongeluk. Dit is het eindresultaat van decennialang beleid, uitgevoerd door mensen die dachten het goede te doen en die inmiddels verbaasd rondkijken in een samenleving die zij mede hebben gevormd. Het resultaat van dertig jaar zachte accommodatie zien wij nu. Een groeiende groep jongeren die zich niet identificeert met de Nederlandse samenleving, niet omdat ze dom zijn of slecht, maar omdat niemand hun ooit overtuigend heeft uitgelegd waarom de verlichtingswaarden de moeite waard zijn om te omarmen. Dat de Nederlandse normen en waarden iets is waar je trots op mag zijn. Dat gesprek werd vermeden. Door links, uit angst. En door mensen als ik, die te veel focusten op de theologie en te weinig op het politieke falen dat die theologie de ruimte gaf. Mijn fout was dat ik de criticus speelde terwijl de regisseur ongestoord verder werkte. Ik voerde het juiste debat met de verkeerde gesprekspartner. Als ik het opnieuw mocht doen, zou ik mijn energie anders verdelen. Minder tijd op de barricade tegenover de gelovige, meer tijd aan de bestuurstafel tegenover de bestuurder. Minder debat over theologische teksten, meer debat over subsidiestromen, onderwijsbeleid en de politieke lafheid die zich jarenlang verschool achter het woord dialoog, terwijl het in werkelijkheid gewoon stilte was die men had gekocht.
Dus nee, ik beweer niet dat de islam slachtoffer is. Ik beweer niet dat immigranten geen eigen verantwoordelijkheid dragen. Het kind in mijn allegorie is niet onschuldig. Maar de ouder die nooit grenzen stelde, die zijn morele autoriteit inruilde voor rust aan tafel en stemmen in het stemhokje, die draagt een verantwoordelijkheid die in het publieke debat stelselmatig wordt vermeden. Het kind is niet onschuldig. Maar de ouders hebben een hoop uit te leggen. En ditmaal kom ik niet alleen met vragen!
Dit wil je ook lezen

Toch maar weer een keer over: de islam
Periodieke doordash!

Ehsan Jami - Het academische Stockholmsyndroom
Opinie Ehsan Jami, promovendus Universiteit Leiden, faculteit bestuurskunde


Ehsan Jami - Links kijkt weg van islamisme. Waarom het Iraans regime niet mag winnen
Noot redactie: wederom in onze inbox, een uiterst leeswaardige beschouwing van Ehsan Jami over De Situatie, die wij inmiddels al zo lang monitoren


Traditie! Iftars kosten grote gemeenten duizenden euro's
Ja waar moet dat geld anders naartoe?


Oud-integratieadviseur Rotterdam Tariq Ramadan veroordeeld tot 18 jaar cel voor verkrachting
Tariq Ramadan is een soort Ali B., maar dan met meer plasjes in de moskee

Bekeerlingterreur in onze media
Laten we in GODSNAAM nog wat mensen zoeken die zich tot de islam hebben bekeerd, daar zien en lezen we in onze media zo weinig over

Het is vandaag de Internationale Dag tegen Islamofobie (maar islamofobie bestaat niet)
Vinden dat vrouwen door de hoofdingang naar binnen mogen, is dat islamofobie?
