VrijMibo met The Black Keys
En proost
Wie weet nog dat The Black Keys een loeiwarm Lowlands 2012 afbraken en overal waar ze verschenen waren ze supersterren en alles wat ze aanraakten veranderde in goud, en onze zwemkoningin Ranomi Kromojwojwojaidmiwdjowdjo stond aan de kant van het podium weg te zwijmelen bij Dan Auerbach die zo cool was als een pak Liuk (de bedenker van Liuk mag de hemel in, later kreeg Ranomi trouwens met zwemmer Ferry Weertman, een heel goede naam om mee naar Engeland te gaan). Dat was allemaal na de fenomenale platen Brothers (2010) en El Camino (2011) en sindsdien kakten de Blekkies er meerdere albums uit, maar op delta blues snoeiplaat Delta Kream na kon het ons allemaal niet meer bekoren. Ze proberen allemaal een rondje wat anders via rock en pop en blues en als ze dan terugkomen lijden ze A) aan het syndroom van Di-rect en B) zijn ze domweg vreselijk. Nu zijn The Black Keys niet vreselijk, wel heel erg saai. Wegluisteren doet het daarentegen wel, maar dat doen The Kinks ook. O ja, er is ook iets met Kneecap, maar we doen hier niet aan hatelijk antisemitisme. Het is weekend. Santé.
Guido Gezelle - O 't ruischen van het ranke riet
O! ’t ruischen van het ranke riet!
o wist ik toch uw droevig lied!
wanneer de wind voorbij u voert
en buigend uwe halmen roert,
gij buigt, ootmoedig nijgend, neêr,
staat op en buigt ootmoedig weêr,
en zingt al buigen ’t droevig lied,
dat ik beminne, o ranke riet!
O! ’t ruischen van het ranke riet!
hoe dikwijls dikwijls zat ik niet
nabij den stillen waterboord
alleen en van geen mensch gestoord,
en lonkte ’t rimplend water na,
en sloeg uw zwakke stafjes ga,
en luisterde op het lieve lied,
dat gij mij zongt, o ruischend riet!
O! ’t ruischen van het ranke riet!
hoe menig mensch aanschouwt u niet
en hoort uw’ zingend’ harmonij,
doch luistert niet en gaat voorbij!
voorbij alwaar hem ’t herte jaagt,
voorbij waar klinkend goud hem plaagt;
maar uw geluid verstaat hij niet,
o mijn beminde ruischend riet!
Nochtans, o ruischend ranke riet,
uw stem is zoo verachtlijk niet!
God schiep den stroom, God schiep uw stam,
God zeide; “Waait! . . .” en ’t windtje kwam,
en 't windtje woei, en wabberde om
uw stam, die op en neder klom!
God luisterde . . . en uw droevig lied
behaagde God, o ruischend riet!
O neen toch, ranke ruischend riet,
mijn ziel misacht uw tale niet;
mijn ziel, die van den zelven God
’t gevoel ontving, op zijn gebod,
’t gevoel dat uw geruisch verstaat,
wanneer gij op en neder gaat:
o neen, o neen toch, ranke riet,
mijn ziel misacht uw tale niet!
O! ’t ruischen van het ranke riet
weêrgalleme in mijn droevig lied,
en klagend kome ’t voor uw voet,
Gij, die ons beiden leven doet!
o Gij, die zelf de kranke taal
bemint van eenen rieten staal,
verwerp toch ook mijn klachte niet:
ik! arme, kranke, klagend riet.
